Naar inhoud springen

schuil

Uit WikiWoordenboek
  • schuil
enkelvoud meervoud
naamwoord schuil schuilen
verkleinwoord schuilje schuiljes

de schuil v / m [3]

  1. beschutting
  2. verborgen
    ▸ Wil was in Iola gebleven en hield zich schuil bij Ruby-Alice.[4]
    ▸ De reusachtige schotel staat opgesteld in een roterend, cilindervormig gebouw en gaat permanent schuil achter een strakgespannen windscherm, waar de millimeterstraling dwars doorheen gaat.[5]
  3. spruw
  4. mondziekte bij paarden
vervoeging van
schuilen

schuil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuilen
    • Ik schuil. 
  2. gebiedende wijs van schuilen
    • Schuil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuilen
    • Schuil je? 
    ▸ Ik schuil in het kuiltje onder zijn sleutelbeen.[6]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. ↑ schuil op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. ↑
    Shelley Read
    “Ga als een rivier” (2023), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021037004
  5. ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789464043075
  6. ↑
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  7. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be