spruw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spruw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘slijmvliesontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1557 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord spruw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

spruw v/m

  1. (medisch) een door een infectie met de gist Candida albicans veroorzaakte hardnekkige witte uitslag op de lippen, de tong en het mondslijmvlies
Vertalingen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen