schuifelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schui·fe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schuifelen
schuifelde
geschuifeld
zwak -d volledig

Werkwoord

schuifelen

  1. ergatief zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen
    • Hij was in het pikkedonker naar de andere kant van de grot geschuifeld. 
  2. inergatief zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven voortbewegen
    • Er werd wat geschuifeld, maar verder bleven de kinderen waar zij waren. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie