schrok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schrok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schrok schrokken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schrok m

  1. schrokop, gulzigaard, brasser, schrokker, slokop, veelvraat, vreetzak, zwelger, holle bolle Gijs
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
schrokken

schrok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrokken
    • Ik schrok. 
  2. gebiedende wijs van schrokken
    • Schrok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrokken
    • Schrok je? 

Werkwoord

vervoeging van
schrikken

schrok

  1. enkelvoud verleden tijd van schrikken
    • Ik schrok. 
    • Jij schrok. 
    • Hij, zij, het schrok. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen