schout

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schout
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse Schultheiß (iemand die over schulden beslist).
enkelvoud meervoud
naamwoord schout schouten
verkleinwoord schoutje schoutjes

Zelfstandig naamwoord

schout m

  1. het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
Vertalingen

Meer informatie