samenwonen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenwonen
woonde samen
samengewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

samenwonen

  1. met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
    • Hij zei dat ik geen verantwoordelijkheid voelde. Dat samenwonen verantwoordelijkheid vereiste. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

refs}}

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 71