ruiler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rui·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruiler ruilers
verkleinwoord ruilertje ruilertjes

Zelfstandig naamwoord

ruiler m [1]

  1. iemand die zaken of diensten ruilt met iemand anders
    • In bijna elke Nederlandse stad is wel een ruilclub te vinden. Letsers worden de ruilers genoemd. En Noppes is daarvan de bekendste organisatie. Het principe is klusjes voor elkaar doen met gesloten beurs: kun jij schilderen, dan doe ik jouw administratie. [2] 
    • Om te weten of een ander cadeau meer van je gading is dan het zelf meegebrachte misbaksel, moeten andere zintuigen ingezet worden. Doordat het duister het zicht op de cadeaus ontneemt, zullen ruilers aangewezen zijn op reuk, gehoor en tastzin om erachter te komen of een cadeau in de smaak zal vallen. [3] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf 18 mrt. 2013 Samen delen
  3. De Telegraaf 02 jan. 2014 Kerstcadeaus ruilen in het duister
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be