routinier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rou·ti·nier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iemand die over grote ervaring beschikt’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afleiding van routine [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord routinier routiniers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

routinier m [3]

  1. iemand met veel ervaring
    • Sparta, de enige ploeg zonder punten uit de laatste drie duels, zou wellicht Michel Breuer op kunnen stellen om de Rotterdamse hoop meer leven in te blazen. Geen enkele speler in de eredivisie won zo vaak (6) van Ajax als de 37-jarige routinier. [4] 
  2. (pejoratief) iemand die zonder aandacht en interesse zijn werk volledig automatisch afraffelt, iemand die bekend is met alle (vuile) trucjes van het vak
    • Aan het woord is een lid van de raad van bestuur, dat liever anoniem blijft. Een routinier wel, die het leven op de universiteit door en door kent. Gevraagd naar de machinaties van de academische macht doet hij met plezier een boekje open. [5] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[6]


Verwijzingen