rival

From WikiWoordenboek
Jump to navigation Jump to search

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
rival rivals

Zelfstandig naamwoord

rival

  1. rivaal, concurrent
  2. (figuurlijk) iets of iemand die haast even goed is
vervoeging
onbepaalde wijs to  rival 
he/she/it  rivals 
verleden tijd  rivaled 
voltooid
deelwoord
 rivaled 
onvoltooid
deelwoord
 rivaling 
gebiedende wijs  rival 

Werkwoord

rival

  1. overgankelijk (kunnen) wedijveren met


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   rival     le rival     rivaux     les rivaux  
vrouwelijk   rivale     la rivale     rivales     les rivales  

Zelfstandig naamwoord

rival m

  1. rivaal, concurrent