rivaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·vaal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mededinger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord rivaal rivalen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rivaal m

  1. iemand met wie men wedijvert voor het bereiken van een bepaald doel
    • Van oudsher zijn de voetbalclubs elkaars grote rivalen. 
    • Gevaarlijke rivalen voor Waylon. Niet dat deze windkracht 8-ballade nou zo verheffend is, maar Roemenië overleefde alle halve finales waaraan het ooit deelnam. Tactisch verdeelde stemkracht waarschijnlijk, die zelfs een act vol gemaskerde etalagepoppen naar de eindstrijd helpt. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen