Naar inhoud springen

rivaal

Uit WikiWoordenboek
  • ri·vaal
enkelvoud meervoud
naamwoord rivaal rivalen
verkleinwoord

de rivaal m

  1. (persoon) iemand met wie men wedijvert voor het bereiken van een bepaald doel
    • Van oudsher zijn de voetbalclubs elkaars grote rivalen. 
    • Gevaarlijke rivalen voor Waylon. Niet dat deze windkracht 8-ballade nou zo verheffend is, maar Roemenië overleefde alle halve finales waaraan het ooit deelnam. Tactisch verdeelde stemkracht waarschijnlijk, die zelfs een act vol gemaskerde etalagepoppen naar de eindstrijd helpt. [4] 
    • Nu Erdogans belangrijkste rivaal achter de tralies is gezet, helt het land echter gevaarlijk over naar autocratie.[5] 
    ▸ Als een keizer uit de vroege Handynastie daadwerkelijk zijn agenda vrij zou maken voor het lezen van een buitengewoon uitvoerige taoïstische tekst, dan werd hij hoogstwaarschijnlijk tijdens het lezen door een rivaal afgezet.[6]
    ▸ Hij kijkt naar zijn rivaal om te zien hoe vaak die met zijn ogen knippert of op de nagel van zijn linkerwijsvinger bijt.[7]
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[8]