rivaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·vaal
enkelvoud meervoud
naamwoord rivaal rivalen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rivaal m

  1. iemand met wie men wedijvert voor het bereiken van een bepaald doel
    Van oudsher zijn de voetbalclubs elkaars grote rivalen.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen