riool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·ool
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afvoerkanaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1380 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord riool riolen
verkleinwoord riooltje riooltjes

Zelfstandig naamwoord

riool o

  1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
    • Door de plotselinge stortbui liep het riool over. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen