redeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van rede met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen redeloos redelozer redeloost
verbogen redeloze redelozere redelooste
partitief redeloos redelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

redeloos

  1. zonder rede, zonder
    • Het redeloze kind wilde naar niemand meer luisteren. 
  2. niet schappelijk
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.