rausjen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rau·sjen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

rausjen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rausjen
rausjte
gerausjt
zwak -t volledig
  1. je iets toe-eigenen wat niet van jou is
  2. snel en onbeheerst rijden; wild te keer gaan
    • Met het thema ‘Amsterdamse dieren’ wil Loorbach kinderen stimuleren naar buiten te gaan en „lekker in de natuur te rausjen”. „Stadskinderen zitten veel binnen, ze zien veel beton en mogen vaak nauwelijks alleen buiten spelen. Zeker voor deze kinderen is het belangrijk dat ze de wolken bekijken, zien hoe de blaadjes aan de bomen wuiven, grassprietjes voelen of een pissebed observeren. Dichtbij is al zoveel natuur te beleven.” [2] 
    • Het eten is schappelijk geprijsd, voor drie tientjes kun je goed vol zitten. De kwaliteit is helaas wat minder. Ik heb niet alles voor u kunnen proeven – de ijsjes en pannenkoeken heb ik gelaten, evenals de hamburgers, frites en salades. Maar dan nog blijft er genoeg over dus ik rausj er even doorheen met u. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen