psychologe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • psy·cho·lo·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord psychologe psychologes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

psychologe v

  1. (beroep) (psychologie) vrouw die psychologie heeft gestudeerd en als psycholoog werkt, vrouwelijke vorm van psycholoog
    • De psychologe luisterde heel goed naar haar cliënten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie