gepruts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·pruts
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gepruts
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepruts o [1]

  1. het aanhoudend prutsen en de resultaten van dit geklungel en geknoei
    • Hou nu toch eens op met dit gepruts. Probeer het probleem nu eens echt op te lossen! 
    • Buurman en buurman zijn beroemd geworden door hun gepruts. 
    • Rafaël aspireerde het allerhoogste – ook als jonge kunstenaar. Het is door die oneffenheden in dat jonge werk, het gepruts, gepoets en ongetwijfeld gevloek waarmee correctie op correctie is doorgevoerd, dat de held van later met zijn voeten op aarde komt. Het is alsof de kunstenaar, door de eeuwen heen, zijn adem over je uitblaast. Zacht en plotseling. Net als in het Pantheon. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Lucette ter Borg 15 februari 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be