prinsdom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Hans Adam II, de huidige vorst van het prinsdom Liechtenstein
Uitspraak
Woordafbreking
  • prins·dom
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van prins met het achtervoegsel -dom
enkelvoud meervoud
naamwoord prinsdom prinsdommen
verkleinwoord prinsdommetje prinsdommetjes

Zelfstandig naamwoord

prinsdom o [1]

  1. een staat waarvan een prins het staatshoofd is
    • Max Verstappen beleefde in het mondaine Monaco een triest dieptepunt in zijn Formule 1-carrière. Twee weken na zijn glorieuze en ook historische zege in de Grand Prix van Spanje reed hij in het prinsdom twee keer zijn Red Bull aan barrels in de vangrail.[2] 
    • Schippers was een van de drie kandidaten voor de prestigieuze titel. Ze was zelf niet aanwezig op het gala in het prinsdom. Ze koos er voor in haar trainingskamp in Zuid-Afrika te blijven. De 22-jarige Utrechtse werd onlangs wel uitgeroepen tot Europees atlete van het jaar, mede dankzij haar titels op de 100 en 200 meter bij de EK in Zürich.[3] 
    • De titel prins of prinses van Oranje verwijst naar het prinsdom Orange, ooit een zelfstandig land in het zuiden van Frankrijk. Er is nog steeds een stadje met die naam, waaraan wij dus al dat Oranje danken aankomende 30 april. De Nederlandse ‘Je maintiendrai’ is ook afkomstig van de de wapenspreuk van dit stadje.[4] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen