presbyopie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pres·by·o·pie
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Griekse 'presbus' (de oudste, oude man) met het achtervoegsel -opie [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord presbyopie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

presbyopie v

  1. (medisch) toenemende verzwakking van het accommodatievermogen van de ogen bij het klimmen van de jaren
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen