prediking
Uiterlijk
- pre·di·king
- Naamwoord van handeling van prediken met het achtervoegsel -ing[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | prediking | predikingen |
| verkleinwoord | - | - |
de prediking v
- (religie) het prediken
- ▸ "Het Landschap met de prediking van de H. Drogo" is een doek van 144 op 424 centimeter. In een breed landschap staat de heilige pelgrim met herdersstaf en hond, omringd door zieken en kreupelen die naar hem opkijken.[2]
- Het woord prediking staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "prediking" herkend door:
| 75 % | van de Nederlanders; |
| 75 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Schilderij Gentse Sint-Baafskathedraal zwaar beschadigd” (Woensdag 6 februari 2002 om 00:00), De Standaard - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be