prediker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·di·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord prediker predikers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

prediker m [2]

  1. een warm voorstander van een zaak die voor die zaak pleit
    • Hij was een waar prediker voor meer soberheid en eenvoud. 
  2. verkondiger van de Goddelijke Waarheid
    • Helemaal toevallig is dat niet. Franciscus past wonderwel bij de behoefte aan ‘spirituele stilte’, rurale eenvoud en puurheid van de natuur die zo populair zijn bij de stedelijke middenklasse. Zelfs zijn zuiverende vasten sluit naadloos aan bij wellness-centra die geestelijk en fysiek comfort bevorderen. Zijn liefde voor dieren, speciaal vogels, lijkt al te goed herkenbaar in een samenleving waarin de consument meeleeft met het treurige verhaal van de voor de slager bestemde kip of het kalfje. Wie echter denkt dat Franciscus erelid avant la lettre was van de Partij voor de Dieren, moet beseffen dat hij ook een opstandig prediker en een behendig onderhandelaar was tegenover de Saraceense sultan tijdens de vijfde kruistocht. [3] 
  3. bijbelboek Ecclesiastes
    • „De tekst waar ik mij al jaren door laat inspireren is Prediker 3, vers 1 tot en met 15. Er is een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede. Alles wat er nu gebeurt in de wereld is al eens eerder gedaan. Daar kun je lering uit trekken. Ik vind het een eer om dat op Zwarte Cross te mogen vertellen. Het is elke keer weer een hele toer voor de organisatie om dat festival uit de grond te stampen, met de brandweer erbij en met muziek in alle soorten en kleuren. Zeg maar tegen heel Nederland dat ze moeten komen en dat ze iets bijzonders gaan meemaken.”[4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. prediker op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Louise Fresco 30 november 2016
  4. NRC Jan Vollaard 21 juli 2016
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be