Naar inhoud springen

plots

Uit WikiWoordenboek
  • plots
  • In de betekenis van ‘bijwoord van tijd: eensklaps’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen plotsplotserplotst
verbogen plotseplotsereplotste
partitief plotsplotsers-
  1. ineens zonder vooraankondiging

plots

  1. bij verrassing, opeens
    • Er stond plots een olifant op de weg. 
     Pas toen de voorman die met me meeging, tegen me zei: 'Heb je het gehoord van Starovojtova?' bleef ik plots staan.[2]
     En plots schijnt er een levendig licht over de hele natuur, het diepdonker bed van de vele mineralen, het beweeglijk broedsel van de lucht en de bewoners van de wateren, in de koele lente-zefier bloeiden de planten weer op.[3]
     In een diabolisch verdraaide politiek-maatschappelijke werkelijkheid als die van het nazisme kon de schijnbaar kleinste handeling iedereen plots voor de absolute ethische keuze tussen goed en kwaad plaatsen.[4]

deplotsmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plot
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]