plopper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

plopper
Uitspraak
Woordafbreking
  • plop·per
Woordherkomst en -opbouw
  • [2] uit het Maleis [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord plopper ploppers
verkleinwoord ploppertje ploppertjes

Zelfstandig naamwoord

plopper m

  1. (informeel) zuignap op een steel die men gebruikt bij het ontstoppen van een gootsteen
    • Het mooiste product is wel de gootsteenontstopper. Je zou toch zweren dat het een versnellingspook was, maar er zit echt een plopper onder. Tuurlijk, je kunt er de gootsteen gangbaar mee maken. Maar je kunt hem ook op tafel vastzetten voor wat schakeloefeningen. Meer hilarische gebruiksvoorwerpen vind je op de website www.autoartmodels.com. [2] 
    • Dan gaat het meestal mis. Gisteren weer. Terwijl mijn haren alle kanten op zwaaiden en ik in opperste vervoering de rioolgoden aanriep, floepte de rubberen ring van het putje en schoot ik met plopper en al naar achteren. Het was tijd voor het professionele werk. [3] 
  2. (informeel) Indonesische vrijheidsstrijder
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen