plop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plop
Woordherkomst en -opbouw
  • klanknabootsing
enkelvoud meervoud
naamwoord plop ploppen
verkleinwoord plopje plopjes

Zelfstandig naamwoord

plop m

  1. iets dat plotseling gebeurt en soms ook een ploppend geluid maakt
    • Er is een vis ontdekt die een raar trucje kan. Hij kan zijn ogen helemaal naar binnen trekken. Als je de huid bij zijn ogen zachtjes aanraakt...plop! En weg zijn de ogen. [1] 
    • ,,Werk en privé zijn niet gescheiden bij mij. Alles loopt door elkaar. Als er een ingewikkelde puzzel is, stop ik die ’s avonds in mijn hoofd en vaak komt er dan ’s ochtends ‘plop’ een oplossing. Blijkbaar werken je hersens onbewust door. Ik heb er vertrouwen in gekregen dat dat soms helpt. Dat is het leuke aan mijn baan: het zijn allemaal puzzeltjes.’’ [2] 
    • Het is 7 uur ‘s ochtends als, plop, de champagne wordt opengetrokken. Op een enorm grasveld naast Wimbledon wachten iedere dag duizenden op een kaartje voor het tennis. Verslag vanuit de wereldberoemde queue. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Hester van Santen 24 oktober 2015 Plop! En weg zijn de ogen
  2. Tubantia Hans van Soest 30-12-17 'Nederland kan mijn fouten vergeven'
  3. Tubantia Rik Spekenbrink 06-07-18 De queue, echt een keer doen!