pillendraaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pil·len·draai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pillendraaier pillendraaiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pillendraaier m [1]

  1. bijnaam voor een apotheker; bijnaam voor de farmaceutische industrie
    • Pillen zijn levensreddend. En pillen zijn dodelijk. Wie aspirientjes koopt bij de Etos, krijgt van het kasssameisje meteen de vraag: 'Weet u hoe dit medicijn werkt?'Maar een depressief makende anticonceptiepil, een antidepressivum voor iemand met een manie, een borderlinemiddel voor een bipolaire, je krijgt het zo. En de pillendraaiers maar pushen.[2] 
    • Coke is uit, xtc – vooral die uit Holland – is in, melden gezaghebbende Colombiaanse kranten als El Tiempo. De kwaliteit van de Nederlandse pillen is volgens kenners veel beter dan die van plaatselijke rommel, die door lokale pillendraaiers wordt gefabriceerd. Met name het produceren van mdma, de grondstof van xtc, is voor Colombiaanse drugsorganisaties lastig, omdat ze veel moeilijker aan de juiste chemicaliën kunnen komen. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen