pathos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·thos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pathos -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pathos o [2]

  1. het aandoenlijke, de bezieling
  2. (pejoratief) hoogdravendheid, bombast
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal