pantry

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pan·try
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord pantry pantry's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pantry v/m

  1. klein keukentje (op kantoor of in een vliegtuig) geschikt voor het maken van warme dranken en kleine maaltijden
     De pantry waar nog restanten staan van de kerstborrel en een kop soep waar inmiddels paddenstoelen op groeien, mag best nog even worden schoongemaakt voor de zomer.[2]
     Behalve de verbouwing van kantoorruimten en aanpassingen aan de technische installatie moeten er ook een pantry en een toiletvoorziening worden aangebracht. Deze voorzieningen op de begane grond zijn niet bereikbaar in verband met de beveiliging van het steunpunt van de politie.[3]
     Een collega bracht de moeder met het kind naar de pantry van het vliegtuig, ‘waar ik de baby borstvoeding gaf’, zegt Organo, die zichzelf beschrijft als een voorstander van borstvoeding.[4]
  2. provisiekamer
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. pantry op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Alex van der Hulst op Wikipedia “Hoe overleef je de langste dag van het jaar op je werk?” (21-06-2018), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Ronald Vrugteman “ViaVie Welzijn en Avedan bij elkaar in gemeentehuis Rijssen” (02-07-2018), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron “Stewardess geeft borstvoeding aan baby van passagier” (10-11-2018), Tubantia