pantheïst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pan·the·ist
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord pantheïst pantheïsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pantheïst m [1]

  1. iemand die die ervan uitgaat dat alles (en iedereen) goddelijk is
     Van godsdienstvrijheid voor de roomsen en van vrijheid „voor atheïst, pantheïst en deïst” kon daarom geen sprake zijn. „Er blijft slechts van tweeën één: óf wij leveren ons land over aan Rome en de ongodisten, óf wij verwerpen de godsdienstvrijheid en binden, al is het, zoals onze vaderen steeds gedaan hebben met verwerping van inquisitie en kettermoord, den strijd openlijk aan tegen allen, die het land te gronde werpen, met name tegen Rome”, aldus ds. Kersten eind jaren dertig.[2]
Verwante begrippen

Meer informatie

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Pieter Jan Dijkman “Om een staat met de Bijbel” (18-04-2008), Reformatorisch Dagblad