paniekzaaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

vogelverschrikker als paniekzaaier voor vogels
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·niek·zaai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paniekzaaier paniekzaaiers
verkleinwoord paniekzaaiertje paniekzaaiertjes

Zelfstandig naamwoord

paniekzaaier m

  1. iemand die mensen bang probeert te maken zonder dat er een goede reden voor angst is
    • ‘Ik geloof niet dat Noord-Korea technisch ooit sterk genoeg wordt voor een aanval op Amerikaans grondgebied. Nu ja, wie weet, Guam of Alaska. Zelfs dan zouden ze het bijzonder goed moeten voorbereiden. Een impulsief afgevuurde raket zie ik nooit de VS bereiken, nu niet en morgen niet. En dus zouden de paniekzaaiers beter wat gas terugnemen.’ [1] 
    • Overstromingen, tropische cyclonen, verzengende droogte, immense bosbranden: het lijkt erop dat Australië de afgelopen jaren steeds vaker ten prooi viel aan grootschalige natuurrampen. Maar wie die hardop in verband wilde brengen met het fenomeen klimaatverandering, werd doorgaans weggezet als paniekzaaier. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Standaard ZATERDAG 22 APRIL 2017
  2. Volkskrant HENRICO PRINS 23 oktober 2013