paniek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·niek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schrik’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord paniek panieken
verkleinwoord paniekje paniekjes

Zelfstandig naamwoord

paniek v

  1. plotselinge hevige schrik voor een echt of vermeend gevaar
     Hij zucht en steunt en dan brult hij. Paniek maakt zich van hem meester. Hij voelt tranen opwellen, slaat met zijn vuist tegen de muur van leem.[3]



Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen