paart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paart

Werkwoord

vervoeging van
paren

paart

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Jij paart. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Hij paart. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van paren
    • Paart! 
Gelijkklinkende woorden
Anagrammen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.