ozon
Uiterlijk
- ozon
- In de betekenis van ‘een gas’ voor het eerst aangetroffen in 1855 [1]
- Leenwoord van Duits Ozon, een neologisme bedacht door de scheikundige Christian Friedrich Schönbein
uit de stam van het Oudgriekse werkwoord ózein "geuren, ruiken" met het achtervoegsel -on, omwille van zijn prikkelende geur [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ozon | - |
| verkleinwoord | - | - |
- (scheikunde) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen in plaats van twee dat wordt gebruikt om te oxideren en te desinfecteren
- Het woord ozon staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ozon" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "ozon" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ ozon op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be