orbitaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·bi·taal
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse orbita (baan (van hemellichaam)) met het achtervoegsel -aal [1]

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen orbitaal orbitaler orbitaalst
verbogen orbitale orbitalere orbitaalste
partitief orbitaals orbitalers -

orbitaal

  1. (medisch) met betrekking tot de oogkas
  2. de omloop (van een satelliet) betreffend
Hyponiemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord orbitaal orbitalen
verkleinwoord orbitaaltje orbitaaltjes

Zelfstandig naamwoord

orbitaal m

  1. (natuurkunde) (scheikunde) een staand golfpatroon zoals een elektron dat vormt in ingevangen toestand rond een atoomkern
    • In goudatomen in de grondtoestand worden s-, p-, d- en f-orbitalen aangetroffen. 

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen