orakel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ora·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘godsspraak’ voor het eerst aangetroffen in 1556 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord orakel orakels
orakelen
verkleinwoord orakeltje orakeltjes

Zelfstandig naamwoord

orakel o

  1. (mythologie) een persoon die geraadpleegd kan worden voor het doen van voorspellingen
    • In Delfi huisde een orakel dat zich bedwelmde met dampen die uit de grond stegen en daarna raadselachtige uitspraken deed. 
  2. persoon die als vraagbaak dient, een alwetende
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
orakelen

orakel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van orakelen
    • Ik orakel. 
  2. gebiedende wijs van orakelen
    • Orakel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van orakelen
    • Orakel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen