opzichtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zich·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van op en zicht met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen opzichtig opzichtiger opzichtigst
verbogen opzichtige opzichtigere opzichtigste
partitief opzichtigs opzichtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

opzichtig

  1. bedoeld om in het oog te vallen, vaak op banale wijze
    • Ze draagt soms de opzichtigste kleren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.