oprijzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rij·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oprijzen
rees op
opgerezen
klasse 1 volledig

Werkwoord

oprijzen

  1. ergatief in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen
    • De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen