opraapsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·raap·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opraapsel opraapsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opraapsel o [1]

  1. iets klakkeloos overnemen van anderen
    • Lage drempels, hoge dijken? Lage kansen, hoge hordes, zul je bedoelen. Al onmiddellijk maakten cynische grappenmakers aan het Binnenhof zich meester van de adviezen van Remkes. Ja, je kunt er inderdaad schouderophalend over doen. Mooi rapport, maar gaat er ook nog iets mee gebeuren? Komt ‘Remkes’ in dezelfde la als al die voorgangers, vanaf ‘Cals-Donner’ (1968-1970) tot de Nationale Conventie (2006)? Zijn institutionele aanpassingen wel een goede remedie voor de kwaal? Is het niet te veel opgewarmde prut, een opraapsel van wat vorige staatscommissies hadden bedacht? [2] 
  2. verzinsel

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen