terloops

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ter·loops
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen terloops terloopser terloopst
verbogen terloopse terloopsere terloopste
partitief terloops terloopsers -

Bijvoeglijk naamwoord

terloops

  1. zijdelings, een bijzaak zijnde: Die terloopse opmerking was toch best belangrijk.

Bijwoord

terloops

  1. onopvallend tussen andere dingen, alsof het er niet toe doet: dit feit wordt terloops vermeld
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen