operahuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

operahuis van Amsterdam
Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·ra·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord operahuis operahuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

operahuis o [1]

  1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
    • Woensdagavond volgt een banket in het Operahuis in Oslo, dat wordt aangeboden door de Noorse regering. Koning Harald vierde in februari zijn tachtigste verjaardag al in familiekring, koningin Sonja hoopt in juli dit kroonjaar te bereiken.[2] 
    • Als Pierre Audi (Beiroet, 1957) straks in juli voor het laatst de deur van zijn werkkamer achter zich sluit (misschien laat hij hem openstaan), doet hij dat als langstzittende artistiek directeur van een operahuis ter wereld.[3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen