onvrede
Uiterlijk
- on·vre·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | onvrede | |
| verkleinwoord |
- het gevoel ergens niet blij mee te zijn en er iets aan willen doen
- Hij heeft onvrede met de behaalde studieresultaten.
- In Hongarije profiteert de oppositie van de onvrede over corruptie bij de partij van premier Viktor Orbán.[1]
- Het woord onvrede staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "onvrede" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ www.nrc.nl (12 sep 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voorvoegsel on- in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %