onverwoestbaarheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ver·woest·baar·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onverwoestbaarheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onverwoestbaarheid v

  1. de eigenschap bezittend onverwoestbaar te zijn
    • De onverwoestbaarheid van het elftal liet een sterke indruk achter met die 5-1 overwinning. 
Vertalingen

Gangbaarheid