ontrollen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·rol·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontrollen
ontrolde
ontrold
zwak -d volledig

Werkwoord

ontrollen

  1. overgankelijk iets dat opgerold is afwikkelen
    • Het was moeilijk dit oude papyrus te ontrollen zonder het te beschadigen. 
  2. ergatief rollend ontkomen
    • Een traan was hem het oog ontrold. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.