hectisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hec·tisch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gejaagd’ voor het eerst aangetroffen in 1962 [1]
  • afgeleid van het Latijnse hectica febris dat aanhoudende koorts betekent. [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hectisch hectischer
verbogen hectische hectischere
partitief hectisch hectischers -

Bijvoeglijk naamwoord

hectisch

  1. zeer druk en chaotisch
    • De periode rond de verkiezingen was een zeer hectische tijd voor de politicus. 
    • De vroege ochtend is een hectische tijd in het huisgezin met 4 kleine kinderen en beide ouders die werken. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen