ongeloof

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·loof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ongeloof -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ongeloof o

  1. het niet (kunnen) geloven
    • De vreugde op de Nederlandse bank was uitzinnig. Waar iedereen sprong, bleef coach Ilse DeLange met de handen voor haar ogen zitten. Ongeloof won het nog van de vreugde. Laurence was al snel weer bij zijn positieven en nam de trofee in ontvangst met de woorden: ‘To Music first. Always.’ [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be