Naar inhoud springen

ongeloof

Uit WikiWoordenboek
  • on·ge·loof
enkelvoud meervoud
naamwoord ongeloof -
verkleinwoord - -

hetongeloofo

  1. het niet (kunnen) geloven
    • De vreugde op de Nederlandse bank was uitzinnig. Waar iedereen sprong, bleef coach Ilse DeLange met de handen voor haar ogen zitten. Ongeloof won het nog van de vreugde. Laurence was al snel weer bij zijn positieven en nam de trofee in ontvangst met de woorden: ‘To Music first. Always.’ [1] 
     Vol ongeloof sta ik op en voel aan haar lakens.[2]
     Vol ongeloof staarden ze ernaar: een meisje van een jaar of tien met een peuter in haar armen.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be