onderonsje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·ons·je
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord onderonsje onderonsjes

Zelfstandig naamwoord

onderonsje o dim. tant.

  1. gesprek in besloten kring of onder vier ogen
    • Wij hadden gisteren een gezellig onderonsje. 
  2. bijeenkomst met weinig mensen
    • Er waren muzikanten, toneelspelers, kunstenmakers, goochelaars, sneltekenaars en grappenmakers. Je kon van alles eten en er was drinken in overvloed. Nog nooit had de hoofdstad zo'n feest gevierd. Zelfs de verjaardag van Koning Palet was hierbij vergeleken maar een onderonsje. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina