onbehaaglijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·haag·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onbehaaglijk onbehaaglijker onbehaaglijkst
verbogen onbehaaglijke onbehaaglijkere onbehaaglijkste
partitief onbehaaglijks onbehaaglijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onbehaaglijk [1]

  1. niet prettig, fijn of aangenaam
    • Die bizarre, eindeloos lange tafel in foeilelijk namaakhout? Phara de Aguirre en Xavier Taveirne, het nieuwe presentatieduo, zitten allebei aan het hoofd van die tafel, en daardoor onbehaaglijk dicht tegen elkaar. Dat onbehagen werd benadrukt door de vaak bizarre camerastandpunten. Daardoor zat altijd wel iemand die niet aan het woord was ongemakkelijk in de camera te staren. [2] 
    • Waar de attractie van het woord feminisering in schuilt? 'Het is een simpel verklaringsmodel voor ontwikkelingen waar sommige mensen zich onbehaaglijk bij voelen. We klampen ons vast aan de duidelijke categorieën man en vrouw. We zien meer juffen voor de klas en we stellen vast dat jongens het op de basisschool iets minder goed doen dan meisjes. Die twee parallelle ontwikkelingen moeten dan wel iets met elkaar te maken hebben. Het ligt echter meer in de rede om de schoolprestaties van jongens in verband te brengen met het feit dat hun vrijheid in de klas de laatste decennia gigantisch is toegenomen. Misschien worden jongens niet te veel, maar juist te weinig beteugeld. Het is maar een hypothese.' [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard MAANDAG 4 SEPTEMBER 2017
  3. Volkskrant Sander van Walsum 29 juli 2017