omspannen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·span·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van omspannen: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omspannen
spande om
omgespannen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

ómspannen [1]

  1. overgankelijk iets op een andere wijze inspannen, gewoonlijk een stel paarden
    • Is de postkoets al omgespannen? 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omspannen
omspande
omspannen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

omspánnen [2]

  1. overgankelijk op strakke wijze geheel omgeven
    • Met zijn grote handen kon hij de boom maar met moeite omspannen. 

Deelwoord

deelwoord
onverbogen omspannen
verbogen omspannen
vervoeging van
omspannen

omspánnen voltooid deelwoord van omspannen

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij had de boom omspannen met een stalen draad. 
  2. vormt de lijdende vorm
    • De boom werd door hem omspannen. 
  3. attributief gebruikt
    • De met een stalen draad omspannen boom stond in de brand. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen