omloper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·lo·per
Woordherkomst en -opbouw

naamwoord van handeling omlopen met het achtervoegsel -er

enkelvoud meervoud
naamwoord omloper omlopers
verkleinwoord omlopertje omlopertjes

Zelfstandig naamwoord

omloper m [1]

  1. iemand die ergens omheen loopt
    • Wellicht is het bekend dat op de dijk bij Abcoude jaarlijks een omloop wordt gehouden. De omlopers in deze wedstrijd zijn erop gebrand te stunten met een goede tijd. Lokaal staat zo'n tijd bekend als: abcoudedijkomloperstunttyd [2] 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Margaret BlacklerAad Thoen Castricum 12 januari 2002 Sprookje 2