omlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omlopen
liep om
omgelopen
klasse 7 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omlopen
omliep
omlopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

omlopen [1]

  1. onovergankelijk via een omweg lopen
  2. onovergankelijk de hele kring om een middelpunt doorlopen
  3. overgankelijk omverlopen
  4. overgankelijk Met stromend water als subject, en een ruimte (land, streek, stad enz.) als object. Ze lopend omgeven, er om heen lopen. (zeer ongebruikelijk) [2]
    • De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard Mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar uw voorvaderen die tot as verbrandden, kunnen door niets anders worden gered dan door Gangeswater.'
      Na Hem te hebben omlopen en zich tot Zijn voldoening voor hem te hebben verbogen, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd met het dier de ceremonie afgerond. [3]
       
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

omlopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord omloop
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van omlopen: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van
omlopen

omlopen

  1. voltooid deelwoord van omlopen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. srimadbhagavatam.org