ojief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
o 1. rand als versiering met een doorsnee die half hol en half bol is
o 2. versiering op geschut in de vorm van een band die half hol en half bol is
v 1. houtschaaf om randen te schaven die half hol en half bol zijn


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ojief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ojief ojieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ojief o

  1. (bouwkunde) rand als versiering met een doorsnee die half hol en half bol is
  2. (militair) versiering op geschut in de vorm van een band die half hol en half bol is
  3. minder oorspronkelijke vorm van ogief: kruisboog van een gewelf, spitsboog of kromme met een vergelijkbare gebogen vorm
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

ojief v

  1. (gereedschap) houtschaaf om randen te schaven die half hol en half bol zijn, met een mes dat daarom ook een scherpe rand in de vorm van een ojief heeft
Synoniemen

Gangbaarheid

3 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie