oecumene

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·cu·me·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘algemene kerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1952 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord oecumene oecumenes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oecumene v/m

  1. beweging die de eenheid van (diverse groepen binnen) een religie nastreeft
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen