neutraliseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neu·tra·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neutraliseren
neutraliseerde
geneutraliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

neutraliseren

  1. werking of invloed tenietdoen van, opheffen
  2. (scheikunde) een zure of basische reactie stoppen door het toevoegen van een hoeveelheid base resp. zuur
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.